top of page

Soof

“Ik behaalde toch een master na master”, protesteert ze. “Zo stom ben ik toch niet?” Soof, een jonge vrouw, zoekt me op omdat ze in de knoop zit met haar lief. Of toch niet, want ze hebben géén relatie. Zegt hij. Hij beschouwt haar als een ‘vriendin’ waar hij seks mee heeft, en Soof is he-le-maal weg van hem. Hij is exceptioneel slim, knap en autonoom, hij heeft een goede job waarin hij zich wil bewijzen, de wereld mag rond reizen, en elk jaar mooie bonussen kan binnenrijven. Een man met een hoge sociale en maatschappelijke status, vindt ze. Hij heeft niemand nodig, niet zoals zij hem nodig heeft. Hij blaast koud en warm, haalt haar aan met zachte strelingen maar bijt en blaft wanneer ze hem verveelt. “Ben ik a bore, Jaela?” vraagt ze. In haar blik lees ik onzekerheid. Zonder op mijn antwoord te wachten vraagt ze mij waarom ze valt op een man die haar vernedert, en wegduwt? Waarom hij haar – bijna dwangmatig – laat voelen dat ze blij mag zijn met de aalmoezen (de schaarse sms’jes waarin hij specifiek en efficiënt aan agenda-overleg doet) die hij haar toegooit? Ik vraag hoe die vernedering klinkt, en welke herkenbare dynamieken er in dat wegduwen blootgegeven worden? Op die eerste vraag kan ze vlot antwoorden. Maar het tweede stuk ziet ze nog niet. Beetje bij beetje begint het haar te dagen: iedere keer als ze écht fijn vrijen, en zij het gevoel heeft dat ze op een diepere laag contact maken, scheurt hij zich na het vrijen los. Hij zoekt zijn kleren bij elkaar, kleedt zich aan, geeft haar nog een kus waarbij ze zijn lippen al niet meer mag proeven, en gaat de deur uit met een afstandelijk ‘tot de volgende!’. Vervolgens ghost hij haar voor weken. Soof raapt de stukjes van haar hart weer op, bedenkt dat gebroken Japans servies met goud gelijmd kan worden, en gaat weer verder met opstaan, eten, werken en slapen.

Alleen verliest alles zijn glans tot ze opnieuw een berichtje leest waarin hij vraagt om haar agenda – maandag binnen acht dagen – vrij te houden.

Want dan is hij ‘toevallig’ in de stad. 

“Waarom ga ik altijd terug naar hem?” Ik antwoord met de vraag hoe ze hem zou omschrijven, als gebruiker of misbruiker? Ze knikt bij het laatste. Ze trekt grote ogen, ze ziet de link. Haar moeder, maar ook Soof en haar zus, werden op dezelfde afkeurende en kwetsende manier door haar vader behandeld. Eerst gebruikt, en dan als een stuk vuil aan de kant gezet. Hoewel ze als kind zo pleitte voor de scheiding van haar ouders, durfde haar moeder, die drie kinderen had, zich niet losmaken.

“Maar als ik dat allemaal zo goed weet, aan den lijve heb ervaren wat zo’n man kan aanrichten, waarom…?”

We lijsten de onderliggende mogelijke motivaties op: persé je best moeten doen, het tegendeel willen bewijzen, een gebrek aan eigenwaarde… Afwijzing is haar favoriete klotegevoel (ze kent het en ook al is het kut, voelt zo vertrouwd aan dat ze het steeds opnieuw én opnieuw opzoekt…). En, vul ik aan, hoeft Soof het patroon niet te herhalen voor ze het mag wijzigen. Alhoewel kleine Soof zich ervan overtuigd wist dat ze nooit wilde eindigen zoals haar moeder, vraagt het tegengif – een solide basis van eigenwaarde en zelfrespect – tijd en oefening. Ze pruttelt nog lichtjes tegen, want ze heeft al zo veel aan haar zelfbeeld gewerkt.

“Een hersenspiertraining met een snuifje L’Oréal”, zeg ik.

Ze lacht, zwaait haar haren heen en weer en lacht: “Want ik ben het waard?”


Column in De Morgen Magazine, zaterdag 6 april 2024

 

 

52 weergaven

Recente blogposts

Alles weergeven

Comments


bottom of page