top of page

Joyce

“En toen sloeg hij me. Mijn god, wat kan die man meppen!”

Ze toont me waar hij haar raakte. Haar lichaam lijkt op een verbind-de-punten-tekening.

“Het gaat wel”, zegt ze wanneer ze mijn grote ogen ziet.

Ik vraag door naar de ernst van de bedreiging en de kans op recidiveren. Lijdzaam aanhoor ik hoe hij die nacht op haar inbeukte terwijl ze in foetushouding op de keukenvloer lag. Van haar gejammer en gesmeek werden hun zoontjes wakker.

“Volgende keer bijt ik nog liever mijn tong kapot”, bekent ze.

Volgende keer? Het getrap en de meppen hielden op omdat één zoontje achter haar rug en het andere ventje in haar buikholte gingen liggen en hij haar niet meer kon trappen zonder ook hen te raken. Lepeltje-lepeltje met een hoger doel. Het waren de scherpe blik en doortastende houding van de directrice van het rusthuis waar ze werkt, die ervoor zorgden ervoor dat Joyces ‘gekke waggeltje’ onmiddellijke gevolgen kreeg: huisarts en politie.

De directrice betaalt zelfs deze therapie en is niet de enige held in dit verhaal. Joyces huisarts zorgde voor een stevig dossier met foto’s, een goed geschreven waarneming en een opsomming van ‘shit’ uit het verleden, waardoor haar man Dieudonné (“Dat God dát soort cadeautjes bijhoudt”, sneert ze.) contactverbod kreeg tot hij voor de rechter moet verschijnen. Omdat ik haar vraag hoeveel tijd ze voorgeschreven kreeg om te rusten, antwoordt ze vastberaden dat ze niet van plan is om thuis te gaan zitten kniezen. Mijn mond valt open. Maar zij lacht haar tanden bloot.

“Do not slap the hand that feeds you”, legt ze uit. “Ik en mijn kleine mannetjes hebben mijn werk nodig.” Joyce wil haar collega’s niet opzadelen met extra uren omdat haar vent losse handjes heeft, zegt ze.

Ik vraag haar waarmee ik haar kan helpen.

“Ik ben moeder van twee zonen."

"Ik wil mijn mannenhaat niet op hen gooien. Laat me gewoon praten, ok?”

Ik knik. En praten doet ze. Over de resem vrouwen die hij had, de buitenechtelijke kinderen die hij verwekte, en haar geloof. Ze leert me dat koppels altijd, ook na een echtscheiding, in haar cultuur voor god verbonden blijven. Ik refereer naar de Belgische wetgeving. Geduldig legt ze mij uit dat ze wel kan scheiden, maar dat ze dan niet meer welkom is in haar kerk.

“Ik ben zo dom, Jaela. Dat ik die man in mijn leven toeliet!”

Mijn hart klopt in mijn keel. Daar ga ik.

“Joyce, ik wil dat je goed naar me luistert en deze woorden in je hoofd prent: je was en bent niet dom. Je zocht een vader voor je kinderen, je kookte en waste, je opende je hart voor hem. Je bent een toegewijde moeder, je hebt je waarden en normen, je studeerde in moeilijke omstandigheden en behaalde een diploma. En je wil praten. Je bent NIET dom.”

Er rollen tranen over haar gezicht.

Het uur is veel te snel om. Ik steek mijn hand uit en help haar uit de sofa. Ze hapt naar adem en kermt. Ik hou haar in mijn armen. Ik hoor een snik. Maar het is een lachje.

“Je hebt gelijk. Ik ben niet dom. Ik ben gewoon f***ing slim.”

Ze grijpt vlug naar het gouden kruisje dat tegen haar huid plakt.  



De Morgen Magazine, zaterdag 17 februari 2024 

 

 

 


 

 

44 weergaven

Recente blogposts

Alles weergeven

Niki

Marie

Commenti


bottom of page